Weinig areaal, veel drempels

De Vlaamse Eiwitstrategie stelt dat Vlaanderen tegen 2030 een duurzamere en diversere eiwitvoorziening moet hebben uitgebouwd. De praktijk op het veld laat echter een ander verhaal zien. De productie van eiwit- en oliehoudende gewassen hinkt achterop. Onzekerheid over de afzetmarkt, beperkte teeltkennis, een restrictiever gewasbeschermingsbeleid dan in het buitenland en de goedkope concurrentie van importeiwitten maken het voor landbouwers bijzonder moeilijk om de omslag te maken. Rendeert het niet, dan kijkt de boer naar een ander gewas. Zo simpel is de redenering op het terrein.

Ondertussen werden sinds 2021 bijna 100 acties en een vijftigtal onderzoeksprojecten opgestart. Maar het aantal nieuwe acties daalt: van 39 in 2021 naar slechts 13 in 2023. Dat is een signaal dat de dynamiek afneemt op het moment dat die net zou moeten versnellen.

Subsidies schieten te kort

Ook de steunmechanismen staan ter discussie. Binnen het GLB zijn er ecoregelingen voor lokale eiwitteelten, maar de vergoedingen liggen ver onder wat andere gewassen opleveren. Voor faunabraak kan tot 1.500 euro per hectare worden toegekend, terwijl soja het met 600 euro moet stellen. Zolang die onevenwicht blijft bestaan, zal de keuze voor eiwitgewassen voor veel landbouwers financieel moeilijk te verantwoorden zijn.

Vlaanderen of Europa?

De vraag of Vlaanderen dit verhaal alleen moet dragen, leeft sterk in het debat. Ik deel de ambitie voor meer lokale eiwitten, maar stel me de vraag of Vlaanderen hier wel de nodige schaalgrootte voor heeft. Soja vergt volume om een waardig alternatief te zijn voor de importstroom. Ik zie liever dat de EU hierin het voortouw neemt, en zie voornamelijk toekomst in alternatieve eiwitbronnen naast soja.

Lees het volledige artikel op VILT.be